Corneille


Was een ongelofelijke mongeaul. In de tijd dat ik Etnografische kunst - voor de niet kenners betekent dat primitieve kunst - restaureerde voor het Spiegelkwartier in Amsterdam, met name voor een zekere Henk I. op de Spiegelgracht, zag ik Corneille regelmatig voorbijkomen op vernissages om wat etnografische kunst aan te kopen. Niet doordeweeks natuurlijk maar op een vernissage zodat een klein elitair groepje kon zien dat hij een bekendheid was (dat kon je wel aan de galeriehouder overlaten, die blèrde het zo’n beetje rond van de daken in hautain Amsterdam) en geld in de portemonnee had zodat hij zich de wat betere primitieve kunst kon permitteren. De anderen kikten er weer op dat Corneille ook van de partij was en hadden weer een goede reden om in - het brandmerk - Corneille te gaan investeren. En zo houdt dit groepje idioten zichzelf in stand. ‘Geld ruikt geld en maakt geld’. Wet van Newton die hij vergeten was te formuleren.
        Zoals het een goed kunstenaar betaamt oreerde hij maar wat in de rondte, kant nog wal rakend, niet gehinderd door enige kennis. Hij kocht op zo’n gelegenheid een paar ‘oude’ voorouderbeelden uit Papua Nieuw Guinea die afkomstig zouden zijn uit een oud mannenhuis, maar die ik in opdracht van Henk I. een paar decennia ouder had moeten maken omdat de jonge twijgen er nog uitschoten. Henk had ze zelf een paar maanden daarvoor nog in Papua Nieuw Guinea gekocht en wist natuurlijk hoe nieuw of nep ze waren maar wist ook van mijn vermogens om ze authentieker te laten lijken. Al met al dacht Corneille iets formidabels te hebben aangekocht en als die eikel wat meer IQ had gehad dan profilerings-neurotica dan had hij het misschien wel kunnen doorzien. De sukkel.

Zo, dat lucht op, wat gal spuwen.

Laat ik verder gaan met een beschrijving van realisme.